Lezing afscheid Jaap Maljers KiKa Wilhelmina Kinderziekenhuis 21-09-2016

Lezing afscheid Jaap Maljers KiKa Wilhelmina Kinderziekenhuis 21-09-2016

Het is vijf minuten voor halfnegen. Op de achtergrond klinkt het monotone geluid van de hartslag monitor. Voor de beginner ongeduldig, voor de gevorderde vertrouwd.

De lampen staan goed. Alles is netjes afgeplakt. Het kleine stuk huid is alles wat er nog zichtbaar is van meneerde Vries. Meneer de Vries, die vorige week op de polikliniek kwam met een zwelling in zijn lies.

“Ze zeggen dat ik een slappe buikwand heb. En dat er een matje in moet.”, herhaalde hij mij ietwat nerveus toen hij mij vanochtend in bed de hand schudde. Nou ja, dat moest dan maar. Zijn blik kon niet verbergen dathij toch eerder een echte chirurg had verwacht.

Nu waren zijn ogen dicht. Zijn huid nog lichtroze van het ontsmettingsmiddel. Zorgvuldig verdoven we de huid. Mijn supervisor reikt mij het mes aan. Met twee vingers spant hij de huid op zodat de streep van viltstift nog makkelijker te volgen is; een kind kan de was doen.

Toch heb ik het warm en klopt mijn hart in mijn keel.

De lies is een deel van het lichaam dat zich kan voordoen als een tekening van Escher. Zo een waar trappen nooit eindigen en gangen eindeloos in elkaar overgaan. Je kan erin verdwalen en verdwijnen en in het ergste geval eindigt je dwaalspoor bij een kloppend bloedvat, buitengewoon onwenselijk.

Maar dat is niet het enige. Al vergt deze ingreep mijn uiterste concentratie als beginneling, toch dwalen mijn gedachten soms af. Ik mag nu met goed fatsoen een mes in de buik van een man steken omdat ik meen dat hij daar beter van  wordt.

Dat is wat ik beloofd heb in de eed van Hippocrates, de dag dat ik dokter werd. “Primum non nocere, in de eerste plaats zal ik geen schade berokkenen…”

Er wordt van mij, van artsen, verwacht dat ze een besluit nemen op basis van kennis en ervaring. De studie medic ijnen tracht ons in vier jaar bij te brengen hoe het lichaam werkt. De rest van mijn  loopbaan is voortschrijdende patroonherkenning.

Met een schaar openen we de breukzak. Duim en ringvinger door de gaten, wijsvinger op het instrument voor de richting.  Voorzichtig voelen we of we inderdaad op de juiste plek

zitten. Tijdens een chirurgische ingreep kent elke handeling ingebouwde veiligheid door middel van controle.Maar hoe echt is die controle?

Als kind sorteerde ik liever lego dan dat ik ermee speelde, als puber moc ht het volume van mijn cd-speler alleen op de even numme rs staan, als student moest ik elke bladzijde van een studieboek voorafgaand aan een tentamen minstens eenmaal gezien hebben.

Ik stoot per ongeluk tegen de operatielamp. “Je linkerarm is niet meer steriel.” De operatieassistente schuift een mouwtje over de gecontamineerde arm. De bacteriën mogen geen kans krijgen.

Op basis van welke kennis geloof ik dat ik het juiste doe? Lucretius, een Romeinse filosoof, zei dat slechts een dwaas kan geloven dat de hoogste berg die hij zelf ooit zag tevens de hoogste berg is die in de wereld bestaat.

Ben ik een dwaas? Ik leef in een wereld waar het een illusie is om het overzicht te willen hebben. Een medisc h specialist moet elke dag minstens 17 wetenschappelijke artikelen lezen om in zijn eigen vakgebied op de hoogte te zijn. De stelligheid waarmee ik beslissingen neem, bewijzen dat ik niet gehinderd word door echte kennis.

Eigenlijk lijk ik nog het meest op dr Watson. De enthousiaste, hulpvaardige maar impulsieve assistent van Sherlock Holmes. Hij laat zich leiden door zijn eigen geest die verbanden legt op basis van emotie en de ‘werkelijkheid’, zonder te beseffen dat die voortdurend mist opwerpen.

“Je kan ‘m het beste een beetje in de vorm van een walvis knippen.”, zegt mijn supervisor. Ik knip het dunnegaas van het matje in de vorm die hij beschrijft. Voorzichtig hechten we het matje in rondom de uitgang van hetlieskanaal. Mijn handen trillen af en toe. Een robot zou dit inderdaad veel beter kunnen.

We vinden het moeilijk, die computers. Als arts is het prettig om nodig te zijn. Om een verschil te maken in het leven van een ander. We geloven samen, artsen en patiënten, in een sprookje, waarbij ridders prinsessen redden van boze monsters.

Maar de tijd van ridders is voorbij. De strijd die we voeren is niet voorbehouden aan het individu en als we willen winnen zullen we dus ook op hetzelfde niveau moeten spelen. Ik staat in schril contrast met de echte Watson. Die van IBM. De computer die alle kennis tot zich kan nemen en er ook nog zinvol advies mee kanverstrekken.

De monsters van deze tijd, kanker, resistente bacteriën, obesitas en diabetes, kunnen niet verslagen worden door één dappere dokter. Het zijn geen draken of bandieten maarhet zijn plagen. En een plaag vereist overstijgend inzicht.

Ik ben een kleine computer. Ik kan de anatomie van de lies bestuderen en vaardigheden leren, om vervolgens een operatie te kunnen uitvoeren. Een computer als IBM Watson kan de beelden van duizenden liesbreukoperaties bekijken en op basis daarvan de perfecte robot programmere n. Meer nog, hij kan de gegevens van miljoenen mensen die een liesbreuk hadden analyseren en mogelijk  voorspellen wat de oorzaak is van eenslappe buikwand.

We zijn bijna klaar. Zorgvuldig hecht ik de huid dicht. Met elke steek verdwijnt de wondere wereld van de anatomie verder uit mijn zicht. Mijn supervisor is al uitgestapt. Vloekend staat hij achter de computer. “Waarom is deze registratiecode nooit te vinden?” De operatie assistente plakt een pleister over de wond. Voor mijn gevoel lijkt Watson verder weg dan ooit.

A surgeon’s touch

A surgeon’s touch

Mood Indigo

Mood Indigo