Mijn kapper


MIJN KAPPER  



Zo op zijn tijd,
laat een mens zich graag verzorgen,
eens even onder handen nemen,
zonder schroom, en zonder zorgen.
En zat ik daar.
Vanmorgen.

Hoofd naar achter, onder de kraan,
Water te warm, schuim in de ogen,
Het hindert niet, niet in ’t geheel,
Al zou hij niet knippen, dan nog zou ik gaan,
want mijn kapper is een echte
Friese Colombiaan.

Met ogen zo blauw, en haren zo zwart,
Een rollende r,
Een dansende schaar,
Een knoestige kam,
En nooit eens gemaar.

Hij knipt wat af,
En vertelt nog ook,
Een aardig wetenswaardig feit,
Of een opzienbarende nieuwigheid.

Hij knipt van achteren en van voren,
Razendsnel, zelfs rond de oren.
Hij verft en föhnt ook aardig vlug,
Heus, je komt haast altijd bij hem terug.


Toch was ik laatst wat van mijn stuk gebracht.

Want daar,
in de hoek van het salon,
zat heel erg klein en hulpeloos,

Een eenzame luis,
zomaar, uit het niets,
op de rand van een doos.

En toen
O wee,

de kapper kreeg hem in het zicht,
de luis werd van geen kwaad beticht,
maar dat was niet van belang,
de kapper ging gewoon zijn gang.

Het Colombiaanse hart en de Friese hand,
maakten de luis in een oogwenk van kant.

En al wenst niemand zich een luis,
En horen ze zeker niet in kapperszaken thuis
En al bedoelde hij het niet zo kwaad,
Mijn kapper is nu toch een beetje,


Een luizenpsychopaat.









Het kladblok

Een vrije gazel- voor al uw vrijgezellenfeesten..