Jean-Jacques, een wonderlijke rups

De tijd liet hem niet langer ongemoeid. Tot nu toe had hij achteloos kunnen rondscharrelen. Mooie dagen waren dat geweest. In een boogpas zoals alleen rupsen dat kunnen, was hij over de dunne takken van blad naar blad getrokken. Naar hartenlust had hij zich volgevreten aan het knapperige groen. Zijn lijf was meerdere malen verveld en andere rupsen hadden hem bewonderd om zijn groeiende torso. Met een verzadigde maag was hij gisteren tegen de schemering aan de voet van een beukenstronk in slaap gevallen. Jean-Jacques was een tevreden rups.

Hij ontwaakte echter met een gevoel van argwaan. Het zonlicht schitterde onrustig in zijn gezicht. In het dak van de beuk ruisten de bladeren heen en weer. De rest van zijn familie had vol lof over deze dag gesproken. Dapper en gewillig hadden zijn broers Jean-Louis en Pierre-Olivier zich enkele dagen geleden teruggetrokken in de donkere zakken. En gisteren was zijn tante Louise, inmiddels een prachtige vlinder, nog even langs gevlogen om hem wat moed in te spreken. Het had niet mogen baten. Jean-Jacques had het niet zo op kleine ruimtes: ze benauwden de geest.

In opperste concentratie spande hij elke spier van zijn volle lichaam, zonder resultaat. De drang in zijn achterlijf was onhoudbaar. Langzaam vormden zich de eerste witte draden. Terwijl de draden steeds verder om zijn lichaam rolden, mompelde hij in zichzelf een paar vuile woorden die hij een chagrijnige termiet laatst had horen zeggen. Zijn hoofd voelde klam en hij kreeg het een beetje benauwd. Onverstoorbaar wikkelde de witte massa zich om hem heen, nu reeds tot boven zijn ogen. Het laatste streepje zonlicht viel weg. Het werd donker en stil. Hij hapte naar adem.

Over wat er zich later in de cocon afspeelde, is weinig bekend. De bomen, die in de jaren alles aan zich voorbij zagen gaan en zodoende zelden ongelijk hadden, ruisten geruchten. Dat deze rups zich niet zomaar tot brokken oersoep had willen laten opbreken. Dat hij zich niet had willen schikken in de rol die de natuur hem had toebedeeld. Maar geen wezen ontsnapt aan de natuur. En zo was ook het verzadigde rupsenlichaam van Jean-Jacques verworden tot een onherkenbare brij.

De bomen zagen het en keurden het af noch goed. De opkomende zon veroverde opnieuw terrein tussen de gaten in het bladerdek. De cocon van Jean-Jacques hing stil achter de stronk. De weerbarstigheid van zijn angst had het niet gewonnen van zijn lot. Rond het middaguur scheurde de cocon. Een sprieterige poot stak voorzichtig naar buiten. De ongebruikte vleugels vouwden uit. Het rood was nog donker van stoffigheid. Even later vloog hij over de vijver. De aanblik van zijn spiegelbeeld in het water ontstak het gevaar van vele karakters. Zijn ijdelheid deed hem zijn eerdere angsten vergeten. En de bomen keken hem na, onverzettelijk geworteld. Wijs maar ook verbolgen, dat  schoonheid en vrijheid telkens weer zo snel angst en onbehagen konden verdringen. 

http://www.scientificamerican.com/article.cfm?id=caterpillar-butterfly-metamorphosis-explainer

Faxen in witte jas. NRC.Next

Arts en Auto 10/2013